München als moment van de waarheid
Op de ochtend van 14 februari heerste er in heel Europa nog steeds een broos vertrouwen dat de trans-Atlantische betrekkingen, hoe gespannen ze ook waren, uiteindelijk stand zouden houden. Kleine meningsverschillen tussen bondgenoten waren schering en inslag. De betrekkingen volgden al lang een cyclisch ritme, bepaald door verkiezingen en wisselende politieke stemmingen in Europa en de Verenigde Staten. Regeringen wisselden elkaar af, de retoriek verscherpte zich, spanningen laaiden op om vervolgens weer af te nemen en te verzachten. De onderliggende aanname bleef echter intact: het bondgenootschap was structureel, duurzaam en verankerd in een gedeelde visie en gemeenschappelijke waarden. Tegen het einde van de dag was die aanname niet langer houdbaar.
Op de Veiligheidsconferentie van München, een forum dat al lang geassocieerd werd met geruststelling, continuïteit en het stille handhaven van de orde, spraken hoge vertegenwoordigers van de aantredende Amerikaanse regering Europa toe in bewoordingen die onmiskenbaar anders klonken. Dit was niet de taal van een partnerschap dat gezamenlijke uitdagingen het hoofd bood, noch die van bondgenoten die wrijvingen bijstuurden. Europa werd aangesproken als een ondergeschikte die niet aan de verwachtingen had voldaan. De toon was niet corrigerend maar bestraffend en minachtend, de houding niet diplomatiek maar disciplinair. Europa, zo suggereerden zij, had zijn vrijheden en democratische waarden verloren, werd geteisterd door het spookbeeld van staatscensuur en was niet in staat zich te verdedigen tegen de stroom van migranten.
Achteraf gezien was München geen uitbarsting, noch een misrekening. Het was een breuk en een diagnostisch moment van een strategische verschuiving. De houding die die dag werd getoond, zou al snel haar doctrinaire uitdrukking vinden in de Amerikaanse Nationale Veiligheidsstrategie van 2025.

Van Leviathan tot Arkhē
Gedurende een groot deel van de periode na de Tweede Wereldoorlog fungeerden de Verenigde Staten als een stabiliserende soevereine macht die orde bracht in een voorheen anarchistisch systeem. In Hobbesiaanse termen leek het op een Leviathan: het nam de kosten op zich om regels te handhaven, stond garant voor collectieve verdediging, stabiliseerde markten en verankerde zijn macht in instellingen die samenwerking voorspelbaar en legitiem maakten. Deze houding weerspiegelde een strategische afweging: de Amerikaanse veiligheid en welvaart waren afhankelijk van de stabiliteit van de orde die het land had opgebouwd. De Nationale Veiligheidsstrategie 2025 markeert een beslissende breuk met die logica. Wat verdwijnt, is niet de Amerikaanse macht, maar de Amerikaanse verantwoordelijkheid voor het handhaven van de orde. De taal van rentmeesterschap en gedeeld bestuur maakt plaats voor een vocabulaire van soevereiniteit, mercantilisme, uitbuiting en controle. Instellingen die voorheen werden gezien als krachtversterkers, worden nu beschouwd als beperkingen op de vrijheid van handelen en de nationale autonomie. Allianties zijn niet langer instrumenten voor stabiliteit op de lange termijn, maar voorwaardelijke afspraken die worden beoordeeld op basis van onmiddellijk rendement.
Zoals Michel Don Michaloliákos heeft opgemerkt: „Er is een duidelijke verschuiving in wat de VS als haar vitale belangen beschouwt en hoe deze te bevorderen. De NSS lijkt op een commerciële strategie die door Silicon Valley en Wall Street is opgesteld, gericht op het uitbuiten van andere landen als (digitale) koloniën.” Het document lijkt niet de vraag te stellen hoe een orde moet worden verdedigd, maar welke voordelen de Verenigde Staten kunnen halen uit deelname daaraan. Veiligheid wordt transactioneel, betrokkenheid wordt in twijfel getrokken op basis van directe voordelen, en legitimiteit maakt plaats voor voorwaardelijke betrokkenheid.
De Strategie betekent geen Amerikaanse terugtrekking uit de wereld. Integendeel, het betekent het bewust afstoten van verantwoordelijkheid voor de mondiale orde, ten gunste van een engere opvatting van macht die gericht is op controle, onderhandelen en selectieve interventie in plaats van het bewaken van het systeem.
Een terugkeer naar de logica van het Gilded Age
Deze impuls kent duidelijke precedenten in de Amerikaanse geschiedenis. Het document roept de logica op van het Gilded Age rond de eeuwwisseling van de twintigste eeuw, een periode die vaak ten onrechte wordt herinnerd als een tijd van welvaart, maar die nauwkeuriger wordt gekenmerkt door extreme ongelijkheid, monopolisering, corruptie en bezorgdheid over immigratie, nationale identiteit en sociale cohesie. In dat tijdperk ging binnenlandse instabiliteit gepaard met strategische consolidatie in het buitenland. De Verenigde Staten beperkten hun aandacht tot het westelijk halfrond, waarbij ze hun regionale leidende rol lieten gelden en tegelijkertijd diepere verstrikking in de Europese politiek vermeden. Instrumenten zoals de Monroe-doctrine, het Platt-amendement en later het Roosevelt-corollarium gaven deze aanpak een formele invulling. In Latijns-Amerika werd soevereiniteit als voorwaardelijk beschouwd wanneer instabiliteit, schulden of externe invloed de regionale orde bedreigden. Door middel van dollardiplomatie en sporadische interventies rechtvaardigde Washington zijn optreden in morele en beschavingsgerichte termen: stabiliteit, vooruitgang en orde werden gepresenteerd als collectieve goederen, zelfs wanneer deze op asymmetrische wijze werden opgelegd.
De Nationale Veiligheidsstrategie 2025 blaast deze logica nieuw leven in, in een bijgewerkte vorm. Het westelijk halfrond wordt opnieuw gedefinieerd als het centrale veiligheidsgebied. Migratiestromen, grenshandhaving, falend bestuur, drugshandel, strategische activa en externe economische invloed worden aangehaald als rechtvaardiging voor preventieve controle in plaats van coöperatief beheer. De structuur is bekend: stabiliteit wordt opnieuw gelijkgesteld aan beheersbaarheid. Het verschil ligt in de context en in de taal. Het Gilded Age ontvouwde zich binnen een internationale orde die de Verenigde Staten niet hadden ontworpen en nog niet leidden; de Britse imperiale macht vormde nog steeds het anker van het systeem. De huidige terugtrekking vindt plaats binnen een orde die de Verenigde Staten na 1945 strategisch hebben opgebouwd. Nog opvallender is dat de nieuwe veiligheidsdoctrine interventie zelfs ontdoet van de retorische toewijding aan collectieve stabilisatie. Waar eerdere hemisferische doctrines macht verhulden in een moreel doel, spreekt de huidige Strategie bijna uitsluitend in de taal van belangen, invloed en rendement op investeringen.
Soevereiniteit wordt verheven tot een kernprincipe, maar dan vooral als een Amerikaans recht.
Voor anderen lijkt soevereiniteit voorwaardelijk, instrumentaal en onderhandelbaar. Het resultaat is geen heropleving van de stelregel van Theodore Roosevelt om „zacht te spreken en een grote stok bij je te hebben“, maar iets dat dichter in de buurt komt van het bij je hebben van de stok zonder de zachte stem: dwang zonder de schijn van beschermerschap, interventie zonder de ambitie om de orde omwille van de orde zelf in stand te houden. Die verschuiving is wat de parallel eerder destabiliserend dan cyclisch maakt.
Binnenlandse prioriteit als strategie
De verschuiving in de doctrine is structureel en komt tot uiting in de opbouw van het document. Eerdere nationale veiligheidsstrategieën begonnen met de internationale context en beschouwden Amerikaanse vernieuwing als een middel om leiderschap in het buitenland mogelijk te maken. De Strategie 2025 keert die logica om. Ze begint in eigen land. Nationale grenzen worden gepresenteerd als het primaire element van veiligheid; migratie wordt behandeld als een existentiële kracht die legitimiteit en samenhang hervormt. Industriële capaciteit, energiedominantie, toeleveringsketens en zelfs culturele en spirituele welvaart worden verheven tot overlevingskwesties. Pas daarna richt de Strategie zich naar buiten, en zelfs dan is betrokkenheid ondergeschikt aan nationale prioriteiten. Dit is geen isolationisme, maar binnenlands primaat als strategie.

Allianties zonder trouw
Nergens komt de breuk duidelijker naar voren dan in de omgang met allianties. Anna van Zoest merkt op dat „onder eerdere regeringen allianties werden gezien als duurzame politieke verbintenissen. Biden, en de presidenten vóór hem, gebruikten de NAVO als platform om coalities te smeden met gelijkgestemde partners. Allianties waren een middel om de Amerikaanse belangen te bevorderen”. Onder de huidige regering en haar nieuwe doctrine worden allianties echter gezien als „bilaterale afspraken die per geval worden beoordeeld”. Het is aan Europa om „hopelijk geleidelijk minder afhankelijk te worden van [de VS] of zich los te koppelen”. Van Zoest vervolgt: „Ondertussen moet Europa aantonen welke strategische rol het kan spelen op toekomstige terreinen, zoals de wedloop om de Noordpool. Op dit moment waarborgen de NAVO-bondgenoten de toegang tot de Noord-Atlantische Oceaan en helpen zij de VS zich opnieuw te vestigen in een gebied waar het land met anderen concurreert om toegang en natuurlijke hulpbronnen. Daarmee laten zij zien waarom de NAVO ook voor de VS een strategisch voordeel is“. De NSS herdefinieert het concept van een alliantie systematisch: lastenverdeling wordt lastenverschuiving, collectieve verdediging maakt plaats voor regionale verantwoordelijkheid, steun is voorwaardelijk en wordt mogelijk beloond met handelsconcessies, toegang tot technologie of voordelen bij aanbestedingen in plaats van concrete veiligheidsgaranties. Europa wordt niet langer afgeschilderd als een stabiliserende partner, maar als een onstabiele entiteit die verzwakt is door demografische veranderingen en overregulering, en die geplaagd wordt door democratische erosie en culturele versnippering. De Europese Unie lijkt minder een krachtversterker te zijn dan een door de elite aangestuurd project, dat wordt afgeschilderd als een beperking van de nationale soevereiniteit en als een afscherming van de besluitvorming tegen democratische verantwoording. Deze afwaardering van de EU is niet louter retorisch, zoals Don Michaloliákos betoogt: „de veronachtzaming van Europese en Oekraïense veiligheidsbelangen hangt nauw samen met de Amerikaanse aanval op de regelgevende bevoegdheid van de EU“. Europa wordt, paradoxaal genoeg, berispt omdat het is geworden wat de Amerikaanse orde van na 1945 het aanmoedigde te zijn. De Strategie verwerpt de waarden die de Verenigde Staten voorheen verdedigden: het bevorderen van democratie, institutionele legitimiteit en op regels gebaseerde samenwerking zijn niet langer veiligheidsvoordelen. Interventie, wanneer die wordt overwogen, is ontdaan van normatieve taal en wordt puur instrumentaal gerechtvaardigd, en stabiliteit is alleen van belang voor zover deze de Amerikaanse belangen ten goede komt. Openheid is kwetsbaarheid, instellingen zijn beperkingen die vanuit ideologische kaders opereren, en legitiem leiderschap is vervangbaar.
De waarschuwing van Thucydides: van Hegemonia naar Arkhē
Sommigen omschrijven deze ommezwaai als machiavellistisch, maar de analogie gaat mank. Machiavelli’s vorst is bezig met duurzaamheid en waarschuwt ervoor bondgenoten van zich te vervreemden of angst te verwarren met loyaliteit.
De leidende logica van de NSS 2025 sluit veel nauwer aan bij de vorm van macht die Thucydides beschrijft in tijden van imperiaal verval. In zijn verslag is het niet de macht zelf die het gezag ondermijnt, maar de reductie – of het afstaan – van leiderschap tot angst, kortzichtige belangen en asymmetrie. Rechtvaardigheid en regels gelden alleen onder gelijken en samenwerking duurt slechts zolang deze voordelig blijft. Voor de Atheense historicus gaat imperiaal verval vooraf aan neergang, want neergang begint niet met zwakte, maar met het opgeven van legitimiteit.
Cruciaal is dat Thucydides een onderscheid maakt tussen hegemonie die wordt ondersteund door timē – eer, terughoudendheid en door anderen aanvaard leiderschap – en een vorm van arkhē die voorrang geeft aan ōpheleia, kortetermijnvoordelen, boven legitimiteit die door instemming wordt verleend. In de termen van Thucydides is het gevaar niet dat het primaat verdwijnt, maar dat gelegitimeerd leiderschap (hegemonia) wordt uitgehold, waardoor ruimte ontstaat voor een vorm van controle (arkhē) die steeds meer steunt op machtsmiddelen en dwang – een verschuiving die het gezag ondermijnt en uitnodigt tot machtsmisbruik. Een dergelijk systeem is nog geen tirannie, maar het markeert de uitholling van de hegemonie zelf.
Om specifieker te zijn: de overgang van hegemonie naar arkhē vindt plaats wanneer onmiddellijke winsten en eng eigenbelang voorrang krijgen boven collectief belang en leiderschap op basis van instemming. In die zin is Amerika niet in verval geraakt of ingestort, maar heeft het ervoor gekozen de fundamenten van zijn gezag op te geven; instemming maakt plaats voor dwang en leiderschap voor dominantie.
Volgens deze interpretatie trekt de Verenigde Staten zich niet terug uit de wereld, noch bevindt het zich in structureel verval. Het neemt een strategische beslissing: de lasten van hegemonisch leiderschap inruilen voor de vrijheden van onbelemmerde en op eigenbelang gerichte macht. Het treedt opnieuw toe tot het internationale systeem onder strengere voorwaarden en accepteert mondiale instabiliteit niet als een omstandigheid die moet worden getemperd, maar als een terrein dat moet worden uitgebuit.

Wat betekent deze keuze in de praktijk? Het komt niet neer op isolationisme of een volledige terugtrekking. De Amerikaanse macht blijft aanwezig, actief en vaak doorslaggevend. Wat verandert, is de aard van de betrokkenheid: de VS positioneert zich niet langer als de garant van een systeem, maar als een actor die daarbinnen opereert, nationale belangen behartigt en zich onttrekt aan verplichtingen. Deze houding wordt soms voorgesteld als een terugkeer naar de oorspronkelijke instincten van Amerika: een republiek die op haar hoede is voor buitenlandse verwikkelingen en verbintenissen. Maar de Verenigde Staten van de eenentwintigste eeuw zijn niet meer de republiek van de dertien koloniën. Het is de belangrijkste architect van de internationale orde van na 1945, of het die rol nu ambieert of niet, want voorlopig blijven de VS een referentiepunt in het internationale systeem. De geschiedenis leert dat wanneer grootmachten legitimiteit opgeven ten gunste van invloed, ze hun soevereiniteit niet terugwinnen, maar juist de wanorde versnellen waarvoor ze zo vrezen.
Als Amerika zichzelf lange tijd heeft voorgesteld als de stralende stad op een heuvel, dan voelt haar licht vandaag de dag onmiskenbaar zwakker aan. De stad staat nog steeds, maar haar blik is naar binnen gekeerd, terughoudend, transactioneel en in strijd met de wereld die zij ooit trachtte vorm te geven. De NSS 2025 geeft deze verschuiving met ongebruikelijke helderheid weer. Het leest minder als een blauwdruk voor het in stand houden van de bestaande orde dan als een diagnose van nationale kwetsbaarheid. En in die diagnose schuilt een bewuste afwijking van de rol die Amerika ooit koos te spelen.