De noodzaak van diversificatie in tijden van geo-economische afhankelijkheid

Wessel de Graaf

In het kort

  • De dreigende handelsoorlog met China dwingt de EU tot een actievere geopolitieke houding om haar economische veiligheid te waarborgen.

  • Japan heeft waardevolle praktijkervaring met de impact van Chinese exportrestricties op kritieke grondstoffen; de EU kan veel leren van de wijze waarop Tokio destijds reageerde.

  • Als gelijkgestemde democratieën zoeken de EU en Japan toenadering om via een gezamenlijke diversificatiestrategie hun kwetsbaarheden in de toeleveringsketens te verkleinen.

 

 

Introductie

Tijdens de zevende EU–Japan High-Level Economic Dialogue in mei 2026 spraken beide bondgenoten opnieuw hun gezamenlijke toewijding uit om strategische toeleveringsketens te versterken. Met de inwerkingtreding van de Critical Raw Materials Act (CRMA) in 2024 probeert Brussel de Europese afhankelijkheid van China versneld af te bouwen. De urgentie is hoog: na Chinese dreigementen met exportrestricties probeert de EU momenteel een handelsoorlog met China te voorkomen. Europa is kwetsbaar voor deze geo-economische chantage; de EU is nog altijd voor minimaal 70% afhankelijk van de Chinese mijnbouw en verwerking van kritieke grondstoffen.

Japan werd in 2010 al geconfronteerd met Chinese exportbeperkingen en hervormde destijds met succes zijn grondstoffenstrategie . “De diversificering door investeringen in Australië te doen is voor Japan een cruciale zet geweest om de afhankelijkheid van China te verkleinen,” stelt HIG expert, sinoloog en Japanoloog Casper Wits. “Het is een schoolvoorbeeld van diversificatie naar gelijkgestemde partners.” Dit roept niet alleen de vraag op welke concrete stappen Japan heeft gezet en wat Europa hiervan kan leren, maar ook wat de samenwerking tussen beide spelers belooft voor de leveringszekerheid van grondstoffen voor de EU. 

De Japanse strategie: Het JOGMEC-model

Beijing bewees onlangs opnieuw bereid te zijn tot de militarisering van de economie door de export van onder andere wolfraam naar Japan volledig stil te leggen. Dit is essentieel voor de productie van de defensie industrie. Dit volgde nadat de Japanse overheid zijn zorgen had geuit betreft de autonomie van Taiwan. Beijing rechtvaardigde deze acties om de ‘nationale veiligheid’ te waarborgen en de spreiding van gevoelige technologie te voorkomen. Sinds een eerder embargo van China in 2010, na een dispuut over de Senkaku-eilanden, heeft het grondstofarme Japan een paradigmaverschuiving ondergaan. Waar lange tijd werd gedacht dat economische verwevenheid voor veiligheid zorgde, bleek die afhankelijkheid juist een grote kwetsbaarheid te zijn.

Als reactie hervormde het Japanse Ministerie van Economie, Handel en Industrie (METI) het industriebeleid via de ‘zeldzame metalen strategie‘. Hierbij werd het mandaat van de staatsorganisatie JOGMEC aanzienlijk uitgebreid. JOGMEC omzeilt marktbezwaren door nauw samen te werken met bedrijven en direct te participeren in buitenlandse mijnbouw- en verwerkingspraktijken via aandeleninvesteringen, schuldgaranties en technische coördinatie. Anders dan in Europa is de Japanse private sector van oudsher zeer hecht verbonden met de overheid. Takahiro Kamisuna, Research Associate van het Japan Chair Programma bij IISS, legt uit dat Japanse private ondernemingen de strategische doelstellingen van de overheid uiterst serieus nemen: “De Europese situatie verschilt hiervan aanzienlijk, aangezien de rol van het bedrijfsleven in Europa veel sterker wordt bepaald door de wetten van de marktlogica.”

Een succesvol praktijkvoorbeeld is de interventie in 2011 ter ondersteuning van de Australische mijnbouwer Lynas Rare Earths. Met financiële steun van JOGMEC mijnt Lynas zeldzame aardmetalen in Australië, die vervolgens in Maleisië worden verwerkt. De cruciale chemische scheiding vindt hierdoor volledig buiten China plaats. Dankzij vergelijkbare projecten in Brazilië en Zuid-Afrika bracht Tokio zijn importafhankelijkheid van China terug van 90% in 2010 naar 60% tot 70% nu. Toch blijft de kwetsbaarheid groot. Tijdens de G7-top in juni waarschuwde de Japanse regering dat Chinese sancties de mondiale ketens nog altijd kunnen ontwrichten. De ambitie is dan ook uitgesproken om de afhankelijkheid vóór 2030 verder te verlagen naar 50%. 

De CRMA en de Europese financieringskloof

De EU probeert met haar grondstoffenbeleid de successen van het JOGMEC-model te evenaren. Europa-expert Michel Don Michaloliakos noemt de introductie van de CRMA erg positief, omdat de lidstaten hiermee eindelijk ambitie tonen via concrete doelstellingen. “In tegenstelling tot Japan mist de EU echter een centraal financierings- of coördinatiepunt; taken zijn versnipperd tussen de Europese Commissie, de Europese Investeringsbank (EIB) en nationale agentschappen,” legt hij uit. HIG expert Don Michaloliakos wijst erop dat Europese bedrijven in het nadeel zijn vergeleken met spelers uit andere werelddelen. Waar Amerikaanse grondstoffenbedrijven eenvoudig privaat kapitaal aantrekken via een sterke financiële sector, en China de concurrentiepositie van zijn bedrijven waarborgt met structurele staatssteun, missen Europese ondernemingen beide steunpilaren. Ook zijn Europese banken traditioneel risicomijdend als het gaat om mijnbouw, en strenge EU-staatssteunregels voorkomen dat lidstaten zomaar miljarden in specifieke bedrijven investeren.

Doordat Europa te lang puur op basis van de laagste prijs inkocht, kon China een dominante mijnbouw- en verwerkingsindustrie opbouwen, gesteund door milde tot afwezige millieurestricties.Hierdoor heeft Beijing de Europese markt kunnen overspoelen met goedkope producten, waardoorEuropese concurrentie uiterst moeilijk is gebleken. Met de CRMA wil Brussel het tij keren via zestig ‘strategische projecten‘ binnen en buiten Europa. Er is naar schatting 22,5 miljard euro beschikbaar gesteld via een mix van EIB-leningen, nationale subsidies en private investeringen. Volgens Don Michaloliakos probeert de EU hiermee weliswaar privaat kapitaal aan te trekken, maar kampen de Europese projecten vooralsnog met een acute financieringskloof.

Bovendien rust de EU-strategie volgens de Europese Rekenkamer op wankele fundamenten: de 2030-doelen missen een robuuste data-onderbouwing en interne vergunningstrajecten kunnen wel 15 jaar duren. Ook de afnamecontracten tonen een pijnlijk knelpunt: bij de eerste zeventien strategische projecten gaat de helft van de geproduceerde grondstoffen naar partijen buiten de EU, waaronder bedrijven in de VS en Japan. Dit onderstreept de felle onderlinge concurrentie tussen westerse bondgenoten.

Samenwerking en de lessen voor Brussel

Tijdens de Economic Dialogue spraken de EU en Japan af om kwetsbaarheden op het gebied van kritieke grondstoffen gezamenlijk aan te pakken via een aantal concrete actielijnen. De partners zetten in op het delen van informatie over exportrestricties via een vroegtijdig waarschuwingssysteem en gaan financiële steun voor mijnbouw- en verwerkingsprojecten nauwer coördineren om onderlinge concurrentie te voorkomen. Toch blijft de Japanse samenwerking in de praktijk tot nu toe vooral bilateraal van aard. “Japan werkt op het gebied van kritieke grondstoffen graag samen met individuele bondgenoten, omdat er zo vanuit Japans perspectief gerichter kan worden ingespeeld op specifieke behoeften dan via een brede samenwerking met het EU-blok als geheel,” stelt Kamisuna. 

Om het succes van de Japanse strategie werkelijk te evenaren, moet de EU haar institutionele gaten dichten. Brussel zal de EIB en nationale exportkredietverzekeraars moeten machtigen om daadwerkelijk te fungeren als een uniebrede investeerder die direct risicodragend kapitaal injecteert in private projecten. Als de EU deze nationale verzekeraars en de EIB laat samenwerken als één blok, kunnen ze gezamenlijk financiële pakketten samenstellen die de risico’s dragen van projecten die voor één Europees land alleen te groot of te risicovol zijn. Daarnaast valt er veel te winnen op het gebied van urban mining: het winnen van materialen uit afgedankte producten, zoals de ‘zwarte massa’ waaruit essentiële grondstoffen worden gedestilleerd. Als onderdeel van de CRMA heeft de Europese Commissie de ambitieuze doelstelling geformuleerd om tegen 2030 maar liefst 25% van de benodigde kritieke grondstoffen uit gerecycled materiaal te halen. Om dit te realiseren, moet recycling echter wel rendabel worden. Momenteel zijn nieuw gedolven, in China verwerkte grondstoffen financieel simpelweg te aantrekkelijk vergeleken met gerecyclede Europese alternatieven.

Juist op dit snijvlak kan de samenwerking met Japan fungeren als vliegwiel. Een concreet succes dat deze potentie illustreert, is de investering in de Franse mineraalverwerker Caremag SAS. In maart 2025 stapten JOGMEC en het Japanse Iwatani gezamenlijk in dit Franse recyclingproject voor zeldzame aardmetalen. In ruil hiervoor verzekerden de Japanners zich van een langetermijncontract voor de levering van zware zeldzame aardmetalen, goed voor naar schatting 20% van de toekomstige Japanse vraag. Wanneer Caremag eind 2026 operationeel wordt, markeert dit de allereerste joint venture op dit gebied binnen Europa. Deze deal laat zien hoe het overbruggen van de Europese financieringskloof hand in hand kan gaan met Japanse voorzieningszekerheid. Het is een blauwdruk voor de competitiveness alliance die de EU en Japan in juli 2025 aangekondigd als antwoord op de escalerende geo-economische spanningen tussen de VS en China. Casper Wits benadrukt de urgentie van dit partnerschap: “Het is cruciaal voor onze welvaart en veiligheid dat de EU nog intensiever gaat samenwerken met een partner als Japan. Dit besef heeft helaas te lang op zich laten wachten.” “Waar grootmachten zoals de VS en China dwingende macht of industriële dominantie inzetten, moeten de EU en Japan juist gecoördineerd multilateralisme benutten,” stelt Wits.

Conclusie

De herhaaldelijke geo-economische chantage door Peking heeft pijnlijk duidelijk gemaakt dat extreme afhankelijkheid van één speler een existentiële kwetsbaarheid is. Waar Japan deze les al in 2010 hardhandig leerde en zijn grondstoffenbeleid succesvol hervormde met een actieve, risicodragende staat, bevindt Europa zich momenteel nog in de transitiefase. De Critical Raw Materials Act getuigt van de juiste Europese ambities, maar zolang Brussel kampt met een acute financieringskloof en een versnipperde institutionele aanpak, blijft de daadwerkelijke uitvoering kwetsbaar.

Om de stap van papieren ambities naar strategische autonomie te zetten, moet Europa de marktlogica durven loslaten en grondstoffen zekerheid gaan behandelen als een wezenlijk onderdeel van zijn veiligheidsbeleid. Het Japanse JOGMEC-model laat zien dat private investeringen in cruciale ketens wél kunnen renderen wanneer de staat actief optreedt als financiële risicoverlager. Daarnaast biedt nauwe samenwerking met gelijkgestemde partners een onmisbaar tegenwicht aan autocratische concurrentie om de eigen welvaart en veiligheid te waarborgen. 

Laatste artikelen

Nieuwsbrief? Meld je aan