Regio Update Latijns-Amerika | De huidige situatie in Cuba is ernstig, maar niet alleen vanwege de bekende structurele crisis van het eiland. Wat in maart 2026 zichtbaar wordt, is een nieuwe fase waarin een interne systeemcrisis en externe geopolitieke druk samenvallen. In grote delen van het land zijn stroomonderbrekingen van twintig uur of meer genormaliseerd, met directe gevolgen voor water, zorg, vervoer en voedselvoorziening. Dat alles gebeurt in een context waarin de Cubaanse economie volgens het Centrum voor Cubaanse Economische Studies (CEEC) in 2025 met circa 5% kromp en sinds 2020 meer dan 15% aan economische activiteit verloor. Sinds 2021 is er bovendien een sterk toegenomen emigratie, niet alleen naar de VS maar ook naar landen als Brazilië, Mexico en Spanje.
De vraag is niet alleen hoe slecht Cuba er nu voor staat, maar vooral wat voor soort druk hier precies wordt uitgeoefend. De huidige fase lijkt minder op de klassieke metafoor van de Amerikaanse “achtertuin” en de bijbehorende Monroe Doctrine – waarin het vooral gaat om uitsluiting van rivalen – en meer op een geopolitieke speeltuin waarin op een verzwakt Cuba instrumenten worden uitgeprobeerd voor regime change, wellicht zonder direct militair conflict maar dat wel slachtoffers kent.
De Verenigde Staten testen hoe ver economische wurging, secundaire druk op derde landen en onderhandeling onder dreiging kunnen reiken. Havana test hoe ver beperkte marktopening kan gaan zonder politieke liberalisering. Cuba opent nu de mogelijkheid voor buitenlanders om in particuliere bedrijven te investeren, waar dit sinds 2021 mogelijk was voor Cubanen zelf. Daarmee hoopt het de emigratie juist als financiële impuls te gebruiken.
De aanloop
Om de huidige fase te begrijpen moeten we terug naar de langere geschiedenis van Cuba als scharnierpunt in de Amerikaanse hemisfeerpolitiek. Al na de Spaans-Amerikaanse Oorlog van 1898 werd duidelijk dat formele Cubaanse onafhankelijkheid niet gelijk stond aan strategische autonomie. Het Platt Amendment van 1901 gaf Washington het recht tot inmenging, en de Amerikaanse aanwezigheid in Guantanamo werd een blijvend symbool van beperkte soevereiniteit. Cuba was toen al geen gewone Caribische staat, maar een geopolitieke vooruitgeschoven post.
De revolutie van 1959 doorbrak die verhouding, maar maakte Cuba onmiddellijk tot hoofdprijs in de Koude Oorlog. De invasie in de Varkensbaai in 1961, het Amerikaanse embargo vanaf 1962 en de Cubacrisis van datzelfde jaar verankerden het eiland in een retoriek van veiligheidsrisico en confrontatie tussen grootmachten. Sindsdien werd het Cubaanse regime intern gelegitimeerd door verzet tegen externe druk, terwijl die externe druk het regime tegelijk hielp om repressie en economische centralisatie te rechtvaardigen.
Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie belandde Cuba in de zogenaamde Speciale Periode van de jaren negentig. Ook toen bleek hoezeer geopolitieke afhankelijkheid de economische levensvatbaarheid van het regime bepaalde. Het eiland overleefde door toerisme, beperkte private ruimte en later vooral door de alliantie met Venezuela. Onder Chávez en daarna Maduro kreeg Cuba olie, financiële ruimte en politieke dekking. In ruil leverde Cuba expertise op het vlak van veiligheid (bij de ontvoering van Maduro kwamen vooral Cubanen om het leven), organisatie, inlichtingen en medische missies. Dat soort relaties vormde de externe pijler onder de post-Sovjet-orde van het regime.
De korte dooi onder Obama veranderde dat structurele patroon niet. De diplomatieke opening van 2014-2016 schiep verwachtingen, maar geen duurzaam nieuw model. Onder Trump werd de lijn opnieuw verhard, het sanctieregime verscherpt en Cuba weer nadrukkelijker in het register van vijandige staten geplaatst. De pandemie, de ineenstorting van het toerisme, inflatie, valutaproblemen en de protesten van 11 juli 2021 versnelden daarna het interne verval. Via de vele politieke gevangenen en de protesten is duidelijk dat sociale onrust mogelijk is, maar dat de kosten van openlijk verzet ook uitzonderlijk hoog zijn.
De jaren 2024 en 2025 vormden vervolgens de brug naar de huidige crisis. De energie-infrastructuur verouderde verder, brandstoftekorten namen toe en de bevolking begon in demografisch tempo te vertrekken. Schattingen lopen uiteen, maar de richting is onmiskenbaar. Infobae meldde al op basis van Amerikaanse grensdata dat sinds oktober 2021 meer dan 850.000 Cubanen de Verenigde Staten bereikten. El País spreekt van schattingen van een bevolkingskrimp tussen 2022 en 2024 van ongeveer 11 miljoen naar 8,5 miljoen. Zelfs als men over die exacte cijfers discussieert, blijft de politieke betekenis dezelfde: een regime dat zijn bevolking in hoog tempo ziet vertrekken, verliest niet alleen arbeid en belastingbasis, maar ook legitimiteit en bestuurlijke rek.
De huidige stand van zaken
Wie alleen naar het regime kijkt, mist de geopolitieke betekenis van de crisis. Wie alleen naar geopolitiek kijkt, mist de prijs die de Cubaanse bevolking betaalt. De acute verslechtering van de Cubaanse positie begon in deze fase met twee samenhangende ontwikkelingen. Ten eerste werd Cuba opnieuw direct geraakt door de Amerikaanse herordening van de regio na de val van Maduro in Venezuela. Washington riep eind januari van dit jaar een nationale noodsituatie uit met betrekking tot Cuba en landen dreigde te treffen die olie aan het eiland leveren. Volgens El País ontving Cuba voordien gemiddeld ongeveer 46.500 vaten olie per dag uit Venezuela en ook de Mexicaanse leveringen, gemiddeld 17.200 vaten per dag in 2025, begonnen begin januari weg te vallen. Daarmee veranderde een chronisch energietekort in een acute geopolitieke kwetsbaarheid.
Ten tweede is duidelijk geworden dat Washington zijn druk veel breder definieert dan alleen in termen van olie of sancties. Amerikaanse druk om Cuba economisch te verstikken werkt door in heel Latijns-Amerika en daarbuiten, waar Cubaanse artsen cruciaal zijn voor de regionale gezondheidszorg. Dat is belangrijk, omdat de export van medische diensten voor Cuba niet alleen een bron van inkomsten is, maar ook van diplomatieke invloed. Door juist dat kanaal aan te vallen, raakt Washington zowel de inkomsten als de internationale reikwijdte van Cuba.
Ondertussen probeert de Cubaanse regering tijd te kopen. Het stelt zich voor het eerst in bijna zeventig jaar open voor investeringen in private ondernemingen vanuit het buitenland. Cuba telde, volgens El País, vorig jaar ongeveer 9.900 private bedrijven, goed voor meer dan 30% van de werkgelegenheid. President Diaz-Canel sprak openlijk over “urgente” veranderingen en over zaken doen met Cubanen in het buitenland. Dat is geen ideologische bekering, maar een noodgreep: de staat erkent feitelijk dat zij zonder private en diasporische middelen niet meer kan functioneren.
De concrete buitenlandse acties zijn beperkt. Spanje beloofde humanitaire hulp in de vorm van voedsel en medische goederen, maar geen olie. China heeft weliswaar een financieel steunpakket van circa 68 miljoen euro en 60.000 ton rijst toegezegd, maar zulke hulp dekt slechts een deel van de noden. Op 29 maart 2026 werd bekend dat de gesanctioneerde Russische tanker Sakhalin Horizon met een broodnodige lading ruwe olie toch tot Cuba zal worden doorgelaten. Die levering verlicht de druk tijdelijk en levert dus tijd op voor het regime, maar verandert de structurele zwakte van Cuba waarschijnlijk niet. Het laat tevens zien dat de Amerikaanse strategie niet volledig lineair en consistent is. De druk wordt opgevoerd, getest en waar nodig weer gedeeltelijk losgelaten. Het is daarbij lastig om een inschatting te maken van de kracht van de Cubaanse bondgenoten, in dit geval Rusland, ten opzichte van de VS.
Binnen Washington lopen de belangen bovendien niet volledig parallel. Voor Trump is Cuba een relatief goedkoop buitenlands succesdossier: een plek waar hij met beperkte middelen daadkracht kan tonen. Voor Marco Rubio is het tegelijk een ideologisch, familiaal en electoraal geladen dossier. Juist die mix vergroot de kans op slecht afgestemde drukmiddelen en op beleid waarin symbolische hardheid belangrijker wordt dan een realistische inschatting van de gevolgen.
Cuba is niet ingestort, maar functioneert nog slechts door noodbeheer, beperkte externe steun, informele economie en steeds verdergaande sociale aanpassing van de bevolking. De regering onderhandelt, hervormt en improviseert, maar doet dat vanuit een uiterst zwakke positie. Vanuit andere Latijns-Amerikaanse landen, met name Mexico, Brazilië en Colombia die nog enige ideologische band onderhouden met de Cubaanse regering, is het vooralsnog relatief stil, daar zij opnieuw te maken hebben met de gebruikelijke dreigementen van heffingen.
Geen achtertuin maar een speeltuin?
De klassieke metafoor van de Amerikaanse achtertuin gaat over invloedssferen: wie mag er komen, wie moet eruit blijven, wie bepaalt de orde. Die logica is springlevend. Maar in 2026 is Cuba meer dan dat. Het eiland wordt ook een speelruimte waarin machtstechnieken worden getest op een staat die te zwak is en te weinig krachtige en betrokken bondgenoten heeft om zich werkelijk te onttrekken, maar te symbolisch is om genegeerd te worden. Dat zien we allereerst aan de Amerikaanse aanpak. Washington lijkt op dit moment niet primair te mikken op een klassieke militaire interventie. De voorkeur lijkt eerder uit te gaan naar economische verstikking, afschrikking richting derde landen, selectieve humanitaire profilering en onderhandelingen onder druk.
Ten tweede is Cuba een speeltuin voor gecontroleerde economische herinrichting. De gedeeltelijke openstelling naar private bedrijven en de diaspora is niet alleen crisismanagement, maar ook een poging om onder externe druk een nieuw sociaal contract te improviseren met iets meer ruimte voor kapitaal, zolang de politieke macht onaangetast blijft. Voor Washington kan dat aantrekkelijk zijn, omdat het hervorming zonder directe bezettingskosten mogelijk maakt. Voor de Cubaanse elite is het aantrekkelijk omdat het schaarste kan temperen zonder politieke opening. Voor de bevolking betekent het vooral verdere ongelijkheid tussen wie toegang heeft tot dollars, diaspora-netwerken en private handel, en wie op een uitgeput staatsdistributiesysteem aangewezen blijft.
Ten derde wordt Cuba een speeltuin voor symbolische steun van rivalen van de Verenigde Staten. China en Rusland kunnen zich profileren als verdedigers van soevereiniteit zonder de volledige kosten van Cubaanse stabilisatie te dragen. De Chinese hulp is relevant, maar niet transformerend. De Russische solidariteit is geopolitiek nuttig, maar materieel beperkt. Dat laat zien dat de multipolaire wereldorde voor kleine en kwetsbare staten lang niet altijd bescherming betekent. Soms betekent zij vooral dat meerdere grootmachten een strategisch belang in je hebben, maar geen van allen genoeg om jouw systeem werkelijk te dragen.
Cuba is ook voor Europa een ongemakkelijke test. Spanje combineert humanitaire hulp, diplomatiek contact en zorg om eigen bedrijven in de toeristische sector. De EU beschikt over humanitaire instrumenten en over ervaring in crisisrespons in het Caribisch gebied, maar heeft geen duidelijke gezamenlijke taal gevonden voor een situatie waarin zowel Amerikaanse druk als Cubaanse repressie problematisch zijn. Juist daarom dreigt Europa reactief te blijven. Men is moreel verontwaardigd over de humanitaire gevolgen, maar strategisch afwezig.
Handelingsperspectieven voor Nederland en de EU
Voor Nederland en de EU is het van belang om niet in een valse keuze te stappen tussen stilzwijgende steun aan de Cubaanse staat en meelopen met Amerikaanse escalatieretoriek. Een houdbare lijn moet uitgaan van drie principes: humanitaire bescherming van de bevolking, consistentie op internationaal recht en gerichte steun aan maatschappelijke weerbaarheid.
Ten eerste moeten Nederland en de EU zich voorbereiden op een humanitaire escalatie die niet pas begint na regime-instorting, maar al gaande is. Dat vraagt om scenario’s voor steun aan ziekenhuizen en voor medicijnen, waterinfrastructuur, noodstroom en decentrale energie. Nederland en de EU kunnen investeren in kerken, lokale hulpnetwerken, onafhankelijke of semionafhankelijke maatschappelijke organisaties, kleine ondernemers, academische contacten en diaspora-verbindingen vooral buiten de VS. De gedeeltelijke opening naar private ondernemingen betekent niet dat de Cubaanse economie vrij wordt, maar wel dat er meer tussenzones ontstaan. Europa moet juist daar aanwezig zijn, omdat die ruimtes later van belang kunnen zijn voor stabilisering zonder volledige staatscontrole.
Europa moet de extraterritoriale logica van Amerikaanse druk niet normaliseren. Dat betekent niet dat de EU het Cubaanse regime moet sparen. Het betekent wel dat men openlijk moet vasthouden aan het onderscheid tussen druk op daders van repressie en collectieve verstikking van een bevolking. De EU beschikt al over een mensenrechtensanctieregime; indien repressie verder escaleert, horen gerichte sancties tegen verantwoordelijke functionarissen bespreekbaar te zijn. Maar brede economische druk die de energie-, voedsel- en zorgcrisis verdiept, is strategisch contraproductief en normatief moeilijk te verdedigen.
Voorbereiding op regionale spillover noodzakelijk. Een verdere verslechtering in Cuba zal doorwerken in migratie, maritieme veiligheid, smokkel en politieke spanningen in het bredere Caribische gebied. Voor Nederland is dat niet abstract, juist omdat het Koninkrijk een Caribische component heeft en omdat bredere instabiliteit in de regio ook Europese belangen raakt. Dat vraagt om vroegtijdige afstemming met Spanje, de Europese Commissie, Caribische partners en waar nodig de Koninkrijksdiensten op het gebied van kustwacht, opvang en maritieme monitoring.
Een geloofwaardige Europese positie zegt tegelijk dat soevereiniteit niet mag worden uitgehold door grootmachtpolitiek en dat politieke gevangenschap, repressie en afsluiting van maatschappelijke ruimte onaanvaardbaar blijven. Die dubbele norm is lastiger dan partij kiezen, maar juist daarom strategisch waardevoller