Regio Update China/ Japan/ Taiwan | Ergens is het geen verrassing dat met het aantreden van Japans nieuwe premier Sanae Takaichi, als leider van de rechts-nationalistische vleugel van regeringspartij LDP, de relatie met China snel is verslechterd. Evenals haar mentor, voormalig premier Shinzo Abe, behoort Takaichi tot het slag Japanse politici dat graag dweept met historisch revisionisme, en personifieert daarmee bijna de achilleshiel van het Japanse buitenlandbeleid: het in de regio onverwerkte verleden van het Japanse imperialisme.
Nauwelijks een maand na haar aantreden als premier leidde een wat terloopse opmerking van Takaichi in het parlement tot de huidige diplomatieke crisis. Aanleiding was haar uitspraak dat een Chinese oorlog tegen Taiwan een situatie zou zijn “die de overleving van Japan bedreigt”; deze precieze kwalificatie is van belang omdat in 2015 is besloten dat alleen zo’n existentiële dreiging voor het land de inzet van Japans “zelfverdedigingstroepen” (het land heeft officieel geen leger) rechtvaardigt. Hiermee impliceerde Takaichi dat Japan zich militair zou kunnen mengen in een militair conflict tussen China en Taiwan, en zo ging ze volgens velen verder dan eerdere Japanse regeringsleiders.
China ziet de kwestie-Taiwan, dat het als een afvallige provincie beschouwt, als een strikt binnenlandse aangelegenheid, en een reactie op de uitspraak van Takaichi kon dan ook niet uitblijven. Toch was de Chinese reactie ongekend hard, en de keuze dit zo te laten escaleren is eigenlijk het echte verhaal in deze kwestie. De Chinese consul-generaal in Osaka plaatste op sociale media een inmiddels verwijderd dreigement: “de vuile nek die zich ermee bemoeit, moet zonder aarzeling worden afgehakt”; iets wat opgevat kan worden als een direct dreigement aan de Japanse premier.
Het formele protest daarop vanuit Tokio werd genegeerd door de Chinese regering, die juist bezwaar aantekende tegen de uitspraak van Takaichi. De Chinese staatsmedia legt inmiddels gretig de link met het Japanse imperialistische verleden, iets wat vrij standaard is als Japan zich op een voor China onwelgevallige manier gedraagt in het heden. Inmiddels wordt het Chinese toeristen afgeraden nog naar Japan af te reizen, en lijken ook andere economische sectoren (zoals Japanse vis) geraakt te gaan worden door een boycot.
Nu is er in verschillende media al veel geschreven over deze diplomatieke ruzie, die nog vol op gaande is, maar wellicht is het is al mogelijk enigszins uit te zoomen en te kijken of er bepaalde lessen uit te trekken zijn. Op het eerste gezicht wijkt de uitspraak van Takaichi helemaal niet zoveel af van wat haar voorgangers hebben gezegd over het belang van Taiwan voor Japan. Shinzo Abe zei, weliswaar na zijn aftreden, al dat “een noodsituatie voor Taiwan een noodsituatie voor Japan” zou zijn. Een van de beroemdste uitspraken van Fumio Kishida (premier van 2021 tot 2024) was dat “het Oekraïne van vandaag het Oost-Azië van morgen kan zijn”, iets dat weer veelvuldig herhaald werd door zijn opvolger Shigeru Ishiba (premier 2024-2025).
Hoewel Takaichi een stap verder gaat met een hint naar de mogelijke noodzaak van Japanse militaire betrokkenheid, is dit inzicht inmiddels al gemeengoed geworden voor beleidsmakers en politici in Tokio. Vanwege de strategische ligging van Taiwan te midden van vaarroutes die cruciaal zijn voor Japans aanvoer van grondstoffen (iets waar ik in detail over heb uitgeweid bij Bureau Buitenland) is het behoud van de status quo zonder twijfel van levensbelang voor Japan. Immers, als China dominant wordt in deze regio en deze vaarroutes kan afsnijden, zou de hele machtsbalans in de regio fundamenteel verschuiven ten gunste van China.
In plaats van de spanningen tussen China en Japan, en in bredere zin spanningen in de hele regio, toe te schrijven aan wederzijdse provocaties, is het belangrijk te onthouden wat de enige aanleiding van een mogelijk militaire conflict zou zijn: een oorlog van China tegen Taiwan die de hele regio, en wellicht de wereld in vuur en vlam zal zetten. Ondanks dat China hier onophoudelijk mee dreigt, lukt het de Chinese regering aardig om juist de voorbereidingen van andere landen, vaak gericht op het vermijden van dit conflict door middel van afschrikking, in de internationale media af te schilderen als net zo provocerend.
Zowel Taiwanese als Japanse defensie investeringen worden zo voorgesteld door de Chinezen, in het geval van de laatsten immer met verwijzing naar Japans militaristische verleden. Takaichis nationalistische ideeën mogen dan inderdaad verwerpelijk zijn, maar haar Taiwan-standpunt is niet meer dan logisch, en wordt breed gesteund in Japan. Dat China nu zo agressief reageert op de uitspraken van Takaichi valt deels te verklaren uit het feit dat het de nieuwe Japanse premier aan het begin van haar ambtstermijn wil trakteren op wat spierballenvertoon.
Maar vooral ook is het een boodschap aan andere landen dat voorbereiding op, of zelfs discussie over, wat te doen bij Chinese militaire agressie tegen Taiwan niet wordt getolereerd. Met lede ogen ziet China aan dat internationale steun voor Taiwan toeneemt, en dat de veiligheid van Taiwan steeds openlijker besproken wordt, waardoor het steeds lastiger wordt dit conflict te blijven verkopen als slechts een binnenlandse aangelegenheid voor China.
Ook in Europa zou een breder debat over hoe China afgehouden kan worden van deze oorlog, en wat de rol van militaire afschrikking daarin is, geen overbodige luxe zijn. Leidend in zo’n debat over Taiwan onder specialisten en beleidsmakers lijkt vooralsnog te zijn dat we vooral China niet mogen provoceren door Taiwan te veel te steunen, en de agressieve reactie op de uitspraak van Takaichi laat zien dat de Chinezen dat graag zo willen houden.
